
Het Dossier- een autobiografie
Dit document is een autobiografisch levensverhaal van Frenz H., geschreven vanuit zijn persoonlijke beleving. Het beschrijft een jeugd en volwassen leven dat wordt gekenmerkt door verlies, afwijzing, een voortdurende zoektocht naar liefde, identiteit en erkenning, maar ook door humor, creativiteit en doorzettingsvermogen.

Groentesoep is Gezond
Kerstavond 1970. Pleegmoeder en vader verzorgen voor Marcel en mij een live uitvoering van Het Grote Kerstconflict. Na afloop verlaten beide hoofdrolspelers het toneel. Zonder toegift.
Achterblijven: twee kinderen, een kom groentesoep met de consistentie van slootwater en een varkenshaas die ons met zijn feestelijke aanwezigheid alleen maar extra beledigt.
Marcel en ik staren zwijgend naar ons bord. De stilte is zo dik dat je haar bijna kunt opscheppen.
Dan besluit Marcel dat iemand de avond moet redden. Hij kijkt naar zijn soep en deelt zijn diepste inzicht met de wereld:
"Groentesoep is gezond."
En zo werd de meest ontwrichte kerstavond uit mijn jeugd alsnog afgesloten met een voedingsadvies.

De Gordijnknippersbende
Het gordijn blijkt aan stukken geknipt. Je moet tenslotte naar buiten kunnen kijken, nietwaar? Wie de architectonische verbouwing heeft uitgevoerd is onduidelijk. Marcel en ik wijzen vanzelfsprekend direct naar elkaar. Dat bespaart een hoop zelfonderzoek.
Pleegmoeder hakt de knoop door zoals alleen zij dat kan: door ons allebei schuldig te verklaren. We worden zonder verdere juridische procedure de straat op gewerkt.
Als toegift roept ze ons nog na dat we ieder een andere kant op moeten lopen.
Waarom precies, blijft een raadsel. Misschien was ze bang dat we samen een criminele gordijnknippersbende zouden vormen. Misschien vond ze dat verdriet beter tot zijn recht komt wanneer het geografisch gespreid wordt. Of misschien hield ze gewoon van ruimtelijk gejammer.

Menu van de dag: Wanhoop
Te laat uit school. Onderweg naar huis besluit ik gras te eten. Niet omdat ik plotseling ambities heb als melkkoe, maar omdat ik hoop dat ik eraan doodga. Dat lijkt me op dat moment een aantrekkelijker vooruitzicht dan thuiskomen.
De alternatieven zijn namelijk weinig aanlokkelijk. Een koekenpan die onderweg naar mijn achterwerk is, doet pijn. Zonder eten naar bed gestuurd worden is ook geen feest.
Dus eet ik gras.
Best veel zelfs.
Ik kauw mij een weg door het gazon en wacht geduldig op het einde. Vergiftiging. Inwendige bloedingen. Een spontane ontploffing. Ik ben niet kieskeurig.
Maar nee.
De natuur blijkt opnieuw teleurstellend robuust. Ik overleef de maaltijd zonder noemenswaardige complicaties. Thuis wacht geen heldhaftige dood, maar gewoon de gebruikelijke straf. Naar bed. Zonder eten.
Ach ja.
Eigenlijk heb ik ook niet zoveel trek meer.
Die portie gras ligt me nog zwaar op de maag.

Plonsprotocol
Winsum. Marcel en ik aan de rand van het water. Plons. Marcel valt erin. Pets.Straf van oma. Zijn achterwerk moet er aan geloven. De prijs van een bijnaverdrinking.
Verdrink en je hebt geen kont meer over.

Een brandende les
Marcel heeft een doosje lucifers uit pa's bureaula gepakt. Een ernstige misdaad, zo blijkt. Pa besluit van de gelegenheid gebruik te maken om een educatief moment te creëren. Hij houdt een brandende lucifer vlak bij Marcels oor.
Ik hoor Marcel schreeuwen.
De les slaat onmiddellijk aan.
Marcel steelt nooit meer lucifers.
Je krijgt er namelijk rokende oren van.

Ademloos in het diepe
Zelf zoek ik mijn spanning elders. Ik zwem naar het diepe gedeelte. Dat mag niet, wat natuurlijk precies de reden is waarom het interessant wordt. Onder water kijk ik gefascineerd naar de benen van zwemmers die boven mij voorbij bungelen. Een prachtig schouwspel.
Wat ik niet door heb, is dat ik ondertussen bezig ben te verdrinken.
Dat blijkt achteraf een belangrijk detail.
Terwijl ik verdiept ben in mijn onderwaterobservaties raakt de zuurstof langzaam op. Gelukkig heeft pleegpa beter zicht op de situatie dan ik. Met zijn kleren nog aan springt hij het water in en haalt me eruit.
Held van de dag.
En dat zonder brandende lucifers.
Het mooiste van alles: ik overleef het avontuur zonder verdere gevolgen. Geen pak slaag. Geen preek. Geen pedagogische nabehandeling.
Mijn kont blijft heel.

Brandnetelgerechtigheid
Ik lig in de brandnetels.
Dankzij een groepje schooljongens dat zich verveelt en daarom besluit mijn dag wat interactiever te maken. De jeugd van tegenwoordig. Alsof het hun persoonlijke missie is om te onderzoeken hoeveel jeuk een mens kan verdragen voordat hij spontaan in brand vliegt.
Ik spartel tussen de netels terwijl mijn belagers genieten van hun maatschappelijke bijdrage.
Dan verschijnt Marcel.
Marcel is niet groot. Marcel is niet sterk. Marcel is niet diplomatiek.
Maar Marcel is wel mijn broer.
Hij twijfelt geen seconde en werkt de schooljongens één voor één dezelfde brandnetels in waar ik net uit probeer te kruipen.
Een prachtig voorbeeld van directe rechtspraak.
De jongens ontdekken dat brandnetels aanzienlijk minder grappig zijn wanneer je er zelf middenin ligt.
Voor mij is de zaak helder.
Marcel is een held.
Als ik twee koekjes heb, krijgt hij er één.
Als ik twee lollies heb, krijgt hij er één.
Als ik twee vriendinnetjes heb, krijgt hij een lolly.
Je moet ergens een grens trekken.
Zelfs heldendom kent zijn beperkingen.

Zuurkool met bijwerking
De buurjongen komt eten. Voor hem een etentje, voor ons een sociaal experiment.
Hij krijgt een tweede portie zuurkool. Weigeren is geen optie; dat leidt automatisch tot een college van twintig minuten over ondankbare snotjochies.
Dus eet hij.
Om drie uur 's nachts organiseert zijn maag een referendum. De zuurkool wordt unaniem uitgezet. De rookworst krijgt een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd.

Leesplicht
Na school mogen we niet meer naar buiten.
Waarom niet, weet ik niet meer. Mogelijk was frisse lucht gevaarlijk. Misschien konden kinderen er gelukkig van worden en wilde men geen onnodige risico's nemen.
Dus blijven Marcel en ik binnen.
We lezen.
Boekjes van de Kameleon. Old Shatterhand. Dappere jongens die met boten door Friesland varen, schurken verslaan, door de prairie galopperen en spannende avonturen beleven.
Wij slaan een bladzijde om.
Buiten klinkt gelach.
Kinderen rennen over straat, bouwen hutten, spelen verstoppertje en beleven precies het soort avonturen waar wij over zitten te lezen.
Wij slaan nog een bladzijde om.
Old Shatterhand rijdt te paard door het Wilde Westen.
Wij zitten op de bank.
De Kameleon scheurt over het water.
Wij zitten nog steeds op de bank.
De helden in onze boeken hebben meer bewegingsvrijheid dan wij.
Dat begint op te vallen.
Buiten wordt gespeeld.
Binnen wordt gelezen.
En vooral heel hard gebaald.
Soms denk ik dat de boeken niet bedoeld waren om ons te vermaken.
Ze waren bedoeld om ons te laten zien wat andere kinderen deden.

De Onbekende Producent
Marcel moet weg.
Naar De Schutsluis. Een internaat in Doorn.
Waarom precies wordt mij niet helemaal duidelijk. Pleegmoeder vat het samen met de mededeling dat Marcel ziek in zijn hoofd is.
Terloops voegt ze nog iets toe.
Ze is eigenlijk mijn moeder niet.
En pa is mijn echte vader ook niet.
Dat soort informatie blijkt dus gewoon tussen de soep en de aardappelen door verstrekt te kunnen worden.
Ik ben verward.
Zo was ik er bijvoorbeeld van overtuigd dat pa over magische krachten beschikte en toverballen had. Omdat Marcel blond was en ik zwart haar had.
Bovendien dacht ik lange tijd dat ik Poepchinees heette.
Zo noemden ze me immers op school.
Nu blijkt er ergens een tante rond te lopen die mij ter wereld heeft gebracht.
Dat roept weer nieuwe vragen op.
Vooral over de man die verantwoordelijk was voor de dikke buik die zij kreeg.
Willen alle oompjes zich even melden?
Dan beginnen we daar.

De verbannen broer
Af en toe mag ik Marcel opzoeken.
Ik leef er dagen naartoe.
Sinds hij weg is, ontbreekt er iets. Niet alleen een broer, maar ook mijn vaste bondgenoot. De enige die begreep dat het leven soms ingewikkeld wordt wanneer volwassenen besluiten dat zij weten wat goed voor je is.
Ik mis hem vreselijk.
Thuis wordt daar liever niet over gesproken.
Marcel is een onderwerp dat zorgvuldig wordt vermeden, alsof hij plotseling staatsgeheim is geworden.
Wanneer ik hem toch ter sprake breng, volgt steevast dezelfde reactie.
Niet over Marcel praten.
Dat bederft de eetlust.

Afgevoerd
Niet veel later blijkt pleegmoeder ook ziek in haar hoofd te zijn.
Dat is op zichzelf geen verrassing. Alleen de officiële bevestiging komt laat.
Ze wordt opgenomen in een psychiatrische inrichting.
De vrouw die jarenlang bepaalde wat normaal was, blijkt volgens deskundigen zelf niet helemaal volgens de gebruiksaanwijzing te functioneren. Het leven houdt van ironie.
Vader brengt me naar kindertehuis Maria Christina in Haren.
De autorit herinner ik me niet meer zo goed. Waarschijnlijk omdat ik druk bezig ben te begrijpen waarom iedereen waar ik van afhankelijk ben één voor één verdwijnt.
Pleegmoeder weg.
Marcel weg.
Nu ik weg.
Aangekomen bij het tehuis worden spullen uitgeladen, handen geschud en volwassenen doen wat volwassenen altijd lijken te doen wanneer een kind zijn wereld ziet instorten: ze praten vooral met elkaar.
Dan vertrekt vader.
Ik neem aan dat hij later terugkomt.
Morgen misschien.
Volgende week.
Met kerst.
Ooit.
Dat lijkt een redelijke gedachte voor een kind.
Het blijkt ook volledig onjuist.
Hij laat nooit meer iets van zich horen.
Geen brief.
Geen kaart.
Geen telefoontje.
Geen onverwachte verschijning aan de deur.
Niets.
Alsof ik samen met mijn koffer ben afgegeven en vervolgens van de inventarislijst ben geschrapt.
Dag paps.
Bedankt voor de rit.

Het welkomstbord
1974.
Nu mag ik ook naar De Schutsluis.
Blijkbaar ben ik inmiddels voldoende gekwalificeerd voor het internaatsleven.
Marcel zit er al, maar vanzelfsprekend kom ik niet in dezelfde groep terecht. Het zou onverstandig zijn om twee broers die elkaar nodig hebben ook daadwerkelijk bij elkaar te plaatsen.
Dat zou maar voor stabiliteit zorgen.
Mijn eerste dag begint met het avondeten.
Ik schuif aan tafel tussen een groep jongens die ik niet ken. Iedereen lijkt redelijk rustig.
Dat duurt ongeveer dertig seconden.
Plotseling begint een van de oudere jongens te schreeuwen.
Een ander schreeuwt terug.
Dan vliegt het eerste bord door de lucht.
Even later volgt een tweede.
Kennelijk hoort servies hier ook bij de groepscommunicatie.
Ik kijk om me heen.
Niemand lijkt verbaasd.
Behalve ik.
Ik begin te huilen.
Dat lijkt me op dat moment een volkomen redelijke reactie op een eetzaal waarin mensen elkaar met aardewerk bestoken.
Een groepsleidster komt naar me toe en slaat een arm om me heen.
"Het komt wel weer goed," liegt ze.
Welkom in De Schutsluis.
En pak een bord.
Je weet nooit wanneer je het nodig hebt.

Schuim en stilte
Ik ben liever alleen. Op mijn eigen kamer. Muziek draaien.Tekenen. Op bed liggen.
Geroepen worden. Afwassen.
Dus kom ik overeind. Leg het potlood neer. Zet de muziek uit. Verlaat mijn toevluchtsoord en meld me bij de afwas.
Terwijl ik borden schoonmaak kijk ik naar de anderen. Pratende jongens. Lachende jongens. Ruzie makende jongens.
Ik mis een familie.
Niet eens een specifieke familie. Gewoon een familie.
Een plek waar iemand roept dat het eten klaar is. En dat ook echt voor jou bedoelt.
In plaats daarvan word ik geroepen voor de afwas.
Dat blijkt voorlopig het dichtst bij huiselijke warmte te komen.

De Kunst van de Kuif
Ik teken graag karikaturen van Elvis en verkoop ze in de klas. Een vroege ondernemersgeest noemen ze dat tegenwoordig.Toen noemden ze het waarschijnlijk geklieder.
De handel loopt goed.
Ik heb concurrentie van Jan van 't Loo.
Jan is mijn beste vriend.
Hij kan ook tekenen.
Sterker nog, hij kan verdomd goed tekenen.
Toch krijgt hij minder voor zijn Elvis-portretten dan ik.
Dat heeft niets met talent te maken.
En alles met haar.
Bij Elvis draait alles om de kuif.
Zonder kuif heb je gewoon een man in een jasje.
Met een goede kuif heb je een legende.
Jan begrijpt dat ook.
Mijn Elvis heeft een betere kuif.
De markt heeft gesproken.

Vervangbaar
In het tehuis voel ik me een nummer. Geen kind. Geen jongen. Geen persoon. Een nummer. Eén van velen.
Groepsleiders komen en gaan. Regels komen en gaan. Jongens komen en gaan. Alleen het gevoel dat je vervangbaar bent blijft hardnekkig aanwezig.
Persoonlijke aandacht is er nauwelijks. Daarvoor zijn er te veel kinderen en te weinig mensen die tijd hebben om te vragen hoe het echt met je gaat.
Dus leer je jezelf bezig te houden. Tekenen. Lezen.Muziek draaien.Wachten.
Ik verlang terug naar mijn pleeggezin.
Een merkwaardige gedachte eigenlijk.
Daar werd geschreeuwd. Gestraft. Gehuild. Gezwegen.
Maar het was wel een plek waar iemand wist wie je was.
Hier ben ik veilig opgeborgen tussen tientallen anderen.
Een familie. Een thuis. Een beetje aandacht. Iemand die blij is als je binnenkomt.
We willen zoveel.

De laatste held
Marcel noemt zijn vakantiegezin een mislukking. Wenst me succes in de Gezinsloterij. Zelf heeft hij het opgegeven.
Ik heb oprecht medelijden met hem.
Ik ben al jaren brandnetelvrij, maar hij blijft mijn held.

De Schuts-erfenis
Familie O. uit Tiendeveen stelt zich heldhaftig beschikbaar als vakantiegezin. De euforie houdt alleen ongeveer net zo lang stand als een sneeuwvlok op een barbecue. Ik ben inmiddels behoorlijk irritant geworden, maar dat schijnt een onvermijdelijk souvenir te zijn van een verblijf in de Schuts. Daar leer je namelijk razendsnel dat als je niet dominant genoeg bent, mensen zonder aarzelen over je heen walsen. Het tragische is dat dit gedrag blijft hangen als een hardnekkige geur waar zelfs een industriële schoonmaakbeurt niet tegenop kan.

Gemaakte onverschilligheid
Voor het eerst een dag op visite bij mijn echte moeder. Ben hopeloos nerveus. Of ik misschien hele weekenden wil komen. Ben zo hopeloos nerveus. “Doe maar wat.” zeg ik gemaakt nonchalant.
Moeder meteen op haar teentjes getrapt.
“Wil je dan niet?”vraagt ze zichtbaar beledigd. Ze moest eens weten. Niets liever zelfs. Elke extra dag bij haar betekende immers weer een dag minder Schutsluis. Een vooruitzicht waar menig mens spontaan een vlag voor zou uithangen.

Alles wat u zegt
Ben zo blij met weekendjes naar ma dat ik niet eens in de gaten heb dat ze me probeert te ontlopen. De buren gaan weer een weekend naar hun vakantiehuisje. Geschonken door ma's rijke echtgenoot. Of ik weer mee wil. Tuurlijk mam. Alles wat u zegt. Of: hier heb je geld voor de bios. Doei! Bedankt mam.
Dag mam.

Prestigieuze gesprekken
Kan het uitstekend vinden met Richard, de buurjongen van ma. We voeren gesprekken van een verrassend hoog intellectueel niveau. We interviewen elkaar alsof we in een prestigieus actualiteitenprogramma zitten.
“Wat heeft u hierop te zeggen?”
BURP!
“Dank u. Wilt u daarop nog reageren?”
KOTS!
De diepgang is nauwelijks te bevatten.
Richard verzamelt bovendien Duitse items uit de Tweede Wereldoorlog. Hij ziet daar volop mogelijkheden in voor soldaatje spelen. Ik niet zo. Danke sjeun, maar ik pas. Die fascinatie voor marcheren, bevelen schreeuwen en elkaar om onduidelijke redenen omver werken doet me al genoeg denken aan de Schutsluis.
Het tehuis voor bordengooiers.

Het
Net als de meeste kinderen heb ik doodsangst voor HET.
HET woont onder mijn bed. Tenminste, meestal. Soms zit IE in de kast. HET heeft blijkbaar meerdere vestigingen. En houdt van verstoppertje spelen.
Om mijn bed levend te kunnen bereiken heb ik een zorgvuldig uitgewerkt verdedigingsplan ontwikkeld.
Fase één: tien minuten zwijgend voor de slaapkamerdeur posten in de hoop HET op heterdaad te betrappen. Gewapend met een speciaal voor deze missie ontworpen plastic zwaard.
Aangezien HET zich zelden vrijwillig meldt, volgt fase twee. Ik ruk de deur open en neem een elegante duik richting bed. Zo voorkom ik dat zijn klauwen mijn enkels grijpen om mij krijsend onder het bed te sleuren en vervolgens levend op te vreten. Een risico waar volwassenen opvallend luchtig over doen.
Mijn grote bruine teddybeer vervult ondertussen de rol van kanonnenvoer. Ik laat zijn poten over de rand van het bed hangen. Blijven die er na tien minuten nog aan zitten, dan weet ik genoeg.
Dan zit IE in de kast.
Onverschrokken grijp ik mijn degen, kuch met een kunstmatig zware stem en gooi met een theatrale zwaai de kastdeur open. Vervolgens blijf ik ongeveer vijf minuten in gevechtshouding staan. Puur voor het effect. HET mag best weten dat het hier niet met zomaar iemand te maken heeft.
Wanneer er niets gebeurt, neem ik opnieuw een duik richting bed. Want HET kan inmiddels natuurlijk weer onder het bed gekropen zijn. Ik nestel me veilig tegen de muur, terwijl de arme beer strategisch aan de buitenkant wordt gepositioneerd. Mocht HET alsnog toeslaan, dan heeft het eerst een voorgerecht.
Voor het geval HET daarna nog trek heeft, zet ik voor de zekerheid ook een bakje pinda's neer. Ik ben misschien doodsbang, maar niet onredelijk.
Trots op mijn uitgekiende overlevingstechnieken, maar met een onderbroek die betere tijden heeft gekend, val ik uiteindelijk uitgeput in slaap.

Aardappelpuree achter het stuur
Met de buren mee naar hun vakantiehuisje. Een pittoresk bouwvalletje op een terp midden in een weiland, alsof de zondvloed elk moment kan terugkeren.
De buurjongen mag daar rondscheuren in een aftandse VW Kever. En dat doet hij met zichtbaar genoegen. Mooie soepele rondjes over het gras. Stoer hoor.
Nou ik.
Mag ik ook even?
Heb je wel eens eerder gereden dan? vraagt hij wantrouwig. Straks rij je jezelf en dat ding in de prak.
Wat een belediging. Ik heb inmiddels vijftien schadevrije jaren opgebouwd.
Echt, er gebeurt heus niets.
Okay Frenz, dit is de rem, dit is het gas en dat ronde ding noemen ze een stuur.
Fijn dat we dat nog even doornemen.
Voorzichtig hè?
Tuurlijk. Wat kan er nou helemaal misgaan in een weiland?
Blijkbaar verrassend veel.
Zodra ik achter het stuur zit raak ik volledig gefascineerd door dit mechanische wonder. Op het gas drukken blijkt namelijk veel leuker dan sturen. En dus rij ik in een kaarsrechte lijn op een oude bunker af.
Remmen! Sturen! probeert de buurjongen.
Wat? Hè? Hoe bedoel u?
Onder druk verandert mijn brein spontaan in aardappelpuree.
De buurjongen weet wél wat hij moet doen. Die springt uit de nog rijdende Kever. Een beslissing die achteraf bezien getuigt van een uitstekend ontwikkeld overlevingsinstinct.
Ik overweeg hetzelfde te doen, maar de bunker komt inmiddels wel erg dichtbij.
Dan krijg ik een geniale ingeving.
Misschien moet ik het gas loslaten.
En sturen.
Je moet er maar opkomen.
Wonder boven wonder maakt de auto een keurige bocht. Na een onverwacht sierlijk ererondje kom ik tot stilstand.
Heb ik jullie even beet gehad? roep ik flink. En jullie maar denken dat ik die bunker aan gort zou rijden!
Trillend als een rietje stap ik uit.
Even mijn onderbroek verschonen jongens.

Crash & Clean
Onderweg van Driebergen naar de Schuts. De groepsleidster zit achter het stuur. Er rijdt een auto voor ons die richting aangeeft naar links. Mooi denkt zij, dan kunnen wij er rechts langs.
Tenminste, als de bestuurder vóór ons niet op het laatste moment besluit dat links eigenlijk zwaar overschat wordt en toch liever rechtsaf slaat.
BENG!#$&%!
Vol erop.
Metaal kraakt. We worden door elkaar geschud.
Gelukkig blijft de schade beperkt tot blikschade.
In de andere auto blijkt een baby te liggen. Heeft niets gemerkt.
Alleen wel even de luier verschonen straks. En die van mij.

Hemelse wanvertoning
Op de Schuts word ik in elkaar geslagen. Ik ben woest. Niet eens op de dader. Die hield zich keurig aan het sociale protocol. Blijkbaar stel je je daar voor met een rechtse directe. Nee, mijn woede richt zich op een hogere instantie.
God.
Twintig minuten lang houd ik Hem persoonlijk verantwoordelijk voor deze wanvertoning. Ik vervloek Hem met een passie waar menig beroepsatheïst nog een puntje aan kan zuigen. Alles komt voorbij. Onrecht, oneerlijkheid, verwaarlozing, het complete klachtenformulier. Ik twijfel hardop of Hij nog wel geschikt is voor deze functie.
Na afloop voel ik me aanzienlijk beter.
Tijdens mijn avondgebed besluit ik God te vergeven.
Zand erover.
Ik bedoel, iedereen maakt fouten.
Sommigen gooien een bord naar je hoofd.
Anderen laten een complete dag ontsporen vanuit hun hemelse meldkamer.
Kan gebeuren.
Morgen weer een dag.

Een keuken vol geheimen
Tijdens het afdrogen waag ik voorzichtig een vraag over mijn echte vader. Het onderwerp ligt blijkbaar ergens tussen belastingcontrole en kiespijn in.
Ma verstijft een beetje.
Je vader is omgekomen tijdens een vliegreis naar Australië, zegt ze uiteindelijk.
Stilte.
Een ongemakkelijke stilte.
Een stilte waarin ik eigenlijk honderd vervolgvragen heb.
Wanneer? Hoe? Waarom? Wat deed hij daar?Was hij piloot? Passagier? Heeft iemand hem gekend? Bestaan er foto's?
Maar nog voordat ik één vraag kan stellen, zie ik ma zoeken naar de nooduitgang van het gesprek.
"Wil je naar de bioscoop?"
"Oh."
"Of naar de buren?"
"Eh..."
"Of anders straks gewoon naar bed?"
Australië lijkt daarmee officieel afgehandeld.
Ik durf niet verder te vragen.
En droog verder af.
Met een hoofd vol vragen en een keukendoek vol borden.

De waakzame horizon
Mag in de zomervakantie mee naar Ameland. Krijg daar mijn eerste vriendinnetje.
Ferdina uit Buitenpost.
Durf nog niet te zoenen.
Ma kijkt.

Geknipt uit het familiealbum
Op Ameland wil ma een foto van mij maken. Een zeldzaam historisch moment, omdat er blijkbaar niet dagelijks bewijs wordt verzameld dat ik daadwerkelijk besta.
Ze pakt haar camera en richt die op mij.
Maar dan grijpt haar man in.
De man die ik oom Dokkie moet noemen.
Of hij nu naar de hond is genoemd of de hond naar hem, blijft onderwerp van discussie. Al vermoed ik sterk dat de hond er eerder was en men daarna dacht: laten we die naam gewoon recyclen.
Nee, zegt oom Dokkie. Het rolletje is bijna vol.
Bijna vol.
Alsof we hier spreken over een nationale noodvoorraad.
Alsof elke foto zorgvuldig moet worden afgewogen door een commissie van deskundigen.
Alsof mijn hoofd kostbare opslagruimte verspilt die misschien nog nodig is voor een foto van een meeuw, een duinpaaltje of Dokkie zelf.
Ma legt de camera weer neer.
De fotosessie is voorbij voordat hij begonnen is.
Ik blijf achter met een vaag gevoel dat ik zojuist heb verloren van een rolletje Kodak.
En van oom Dokkie.
Die volgens mij nog steeds naar de hond is genoemd.
Niemand kan mij van het tegendeel overtuigen.

Kille gastvrijheid
Oom Dokkie jaagt me de stuipen op het lijf. Hij behandelt me doorgaans alsof ik een vlek op het behang ben. Onzichtbaar dus. En als hij me niet negeert, is hij juist zó vriendelijk dat ik er spontaan uitslag van krijg.

Oom Dokkie en de verkeerde pagina
Jeuk aan m'n klokkenwerk terwijl ik wat zit te bladeren.
Laat nou net oom Dokkie langskomen op het moment dat ik zit te krabben met miss Panorama voor mijn neus.
Leg dat maar eens uit jij kleine viezerik. Maar ben toch ergens opgelucht.
Op de volgende pagina's een heel artikel over Dries van Agt.
En om op zo'n moment naar je balzak grijpen valt écht niet uit te leggen.

Split-second beslissing
Ik ben gek op Dokkie. De hond wel te verstaan. Niet de menselijke versie. Die vertrouw ik ongeveer evenveel als een tweedehands parachute.
Tijdens een wandeling door de duinen gebeurt het onvermijdelijke. Dokkie de Duitse Staander ontdekt een konijn.
En niet op de vriendelijke Disney-manier.
Binnen enkele seconden heeft hij het beest te pakken.
Ma raakt in paniek en richt zich tot mij.
"DOE DAN WAT!"
Een verzoek waar ik als brave jongen natuurlijk onmiddellijk gehoor aan geef.
Voor ik het weet verkoop ik Dokkie een schop tegen zijn onderbuik.
Het werkt. Het konijn ontsnapt.
Ma tevreden.
Missie geslaagd.
Alleen voel ik me direct alsof ik persoonlijk verraad heb gepleegd aan mijn beste vriend.
Thuis bied ik officieel mijn excuses aan in de vorm van een hondecracker en een uitgebreide knuffelbeurt.

De verboden traan
Op de Schuts besluiten een paar jongens dat een hamster uitstekend geschikt is voor waterrecreatie. Ze houden het beest onder de kraan en vermaken zich kostelijk.
Ik niet.
Ik krijg medelijden.
Sterker nog:ik begin te huilen.
Wat op de Schuts ongeveer hetzelfde is als vrijwillig een bordje om je nek hangen met de tekst: "Pestbaar."
Een weekend later vertel ik het verhaal aan de buurvrouw.
Zij vertelt het door aan ma.
Ma lacht.
Niet een beetje.
Gewoon voluit.
"Janken om een hamster?"
Ik voel onmiddellijk dat ik iets verschrikkelijks heb gedaan.
"Schaam je diep."
Terecht ook.
Wat moeten de buren wel niet denken?
Een jongen die verdrietig wordt van dierenleed. Waar gaat het heen met de wereld?
Ma heeft gelijk.
Je kunt je emoties maar beter bewaren voor zaken die er echt toe doen.
Bijvoorbeeld voor het feit dat je moeder je uitlacht wanneer je medelijden hebt met een weerloos dier.
Maar goed,daar kun je natuurlijk moeilijk om gaan zitten huilen.
Wat moeten de buren dan wel niet denken?

Nuchtere biecht
Tijdens een zomerkamp van de Schuts schrik ik midden in de nacht wakker. Ik zie niks! Ik ben blind! Ik maak Marcel wakker, die opmerkelijk rustig blijft. Het is donker, suffie. Langzaam dringt het tot me door dat mijn gezichtsvermogen niet verdwenen is. De zon is gewoon ergens anders bezig. Toch blijft die angst voor het donker hardnekkig. Dat heeft een voorgeschiedenis.
Toen ik klein was werd ik ooit in een donkere kast opgesloten. Ik bleef maar om ma roepen Blijkbaar viel dat onder de categorie hinderlijk achtergrondgeluid.
Jaren later vertel ik dat verhaal aan oom Dokkie. Tja, zegt hij..Je bleef maar om je moeder roepen.Die persoon wilde met haar in de auto stappen. Als een kind dan blijft zeuren,gooi je hem in een kast,doe je de deur op slot en kun je rustig gaan winkelen.
Hij vertelt het alsof hij een recept voor pannenkoeken voorleest. Ik voel iets ongemakkelijks opkomen. Weet u eigenlijk wie dat was? Ja. Even stilte. Dat was ik.
Geen spijt. Geen schaamte. Geen enkele emotie. Bijna geamuseerd zelfs. Alsof hij zojuist onthuld heeft dat hij vroeger stiekem de laatste koek uit de trommel pakte. Ik schrik me kapot. Mijn hele leven had ik geen idee gehad wie die persoon was. En ineens zit hij tegenover me aan tafel. Doodnormaal zijn koffie te drinken.
Vanaf dat moment begin ik oom Dokkie met heel andere ogen te bekijken.Wat eerst afstandelijkheid leek, krijgt ineens iets veel griezeligers. Want sommige mensen maken je bang door te schreeuwen. Anderen door volkomen kalm te vertellen wat ze hebben gedaan.

Artiest in wording
Speel toneelstukken op school. Ook pleebekken. Bohemian Rhapsody van Queen. A real mother for ya van Johnny Guitar Watson. Stoned als een garnaal van Koot en Bie. Henny Huisman waar was je.
Voel me een geboren artiest. Werk mee aan het Schutsluiskrantje. De wereld smacht naar mijn redactionele visie. Heb mijn eerste stripboek getekend, vol overtuiging en twijfelachtige anatomie, maar met maximale ambitie. Voetbal graag.
Marcel organiseert droptochten en wil in het muziekkorps van het Leger Des Heils. Zoek het verband.

Bijna
Val op meisje uit de klas. Judith. Ik kijk naar haar, zij kijkt langs me heen.
Dat soort liefde dus.
Het had zo mooi kunnen zijn.

De vlucht van de hoop
Marcel zit op de Amerberg in Amersfoort. Ik wil ook weg. Kan. Heb pleeggezin gevonden. Familie Z. uit Middelstum. Vier kinderen.
Oei.
Eigenlijk had ik liever een gezin voor mezelf gehad. Eentje zonder bijlagen. Zonder concurrentie.
Zonder het gevoel dat je opnieuw in de rij moet staan om gezien te worden.
Zet ze maar te koop.
De andere optie is nog langer blijven wachten in de Schuts tot er ooit een “geschikt gezin” langskomt.
Dus wordt het toch kiezen zonder echt te kiezen.
We zien wel.
Op naar Middelstum.
Met een soort hoop die zich vooral uit in het feit dat het in elk geval niet de Schuts is.
En soms is dat al genoeg om te vertrekken.

De kettingreactie
Hachee met uien bij de familie Z. Of het smaakt. Ja hoor, bwaaaah!
Voor ik het weet heb ik het bord van mijn buur vakkundig gedecoreerd met verse maaginhoud. Die op zijn beurt van afschuw bijna het bord van zíjn buurman onderkotst.
Chain reaction noemen ze dat. In no time heeft iedereen een fraai sausje over zijn hachee.
Rechtstreeks van de leverancier, verser krijg je het niet. Mjam.

Gebruikssporen
Ik blijk dus een schitterend voorbeeld te zijn van een tehuisproduct.
Gehard, meedogenloos. Survival of the fittest. Voel me ondertussen achtergesteld op de echte kroost. Zij krijgen vast een groter stuk rookworst bij de boerenkool, gewoon omdat ze dat soort privileges verdienen bij geboorte.
Het gaat fout. Stichting Jeugd en Gezin kan me komen ophalen. Ze willen me niet meer. Zet me maar bij het grofvuil tussen een kapotte Senseo en een driewieler zonder voorwiel. Misschien plakt iemand er een sticker op: 'Gratis af te halen. Werkt nog, maar heeft gebruikssporen en maakt soms rare opmerkingen.'

Hoog Tiet
1979.
Eerst nog even geparkeerd in een opvanggezin in Delfzijl. "Opvang" klinkt alsof ik een beschadigd pakketje ben dat PostNL niet meer durft af te leveren
Niet kantelen. Breekbaar. Inhoud onbekend.
Dan komt de maatschappelijk werkster langs, met het enthousiasme van iemand die zelf nergens in hoeft te wonen.
“Wat we nou hebben voor je jong! Een heel gezellig boerengezin uit Wildervank in Groningen. Familie M. Ze hebben wel twintig pleegkinderen op hun boerderij, is dat niet gezellig?”
Nee. Da's niet gezellig.
Maar heb weinig keus.
De tijd dringt in het opvanggezin.
’t Is hoog tiet veur boernyoghurt.
En zo beland ik in Wildervank. De lopende band van mijn jeugd ratelt onverstoorbaar verder, terwijl ergens een ambtenaar tevreden een perforator bedient en denkt: zo, die staat ook weer netjes in de juiste lade van het universum.

De Plicht tot Plezier
Erger kan ik het me eigenlijk niet voorstellen. Verplicht televisie kijken. Afzonderen wordt beschouwd als een gevaarlijke afwijking van de nationale gezelligheidsnorm.
Lezen in bed? Niet doen. Boeken zijn gevaarlijk. Straks ga je nog zelf nadenken. Op overtreding staat een pedagogische zweepslag met een riem, gevolgd door een evaluatiegesprek waarin wordt vastgesteld dat het allemaal voor je eigen bestwil is.
Te laat uit school? Dan vervalt het recht op voedsel. De maag leert punctualiteit sneller dan een schoolagenda. Mogelijk een eeuwenoude Groningse traditie, zorgvuldig doorgegeven van generatie op generatie.
Aan tafel doopt zoon M. mij om tot "Witte Reus". De tafel barst in lachen uit. Pa M. lacht. Ma M. lacht. De stoelen lijken mee te schudden. Zelfs het bestek overweegt applaus.
Dat is misschien wel het meest gestroomlijnde onderdeel van het systeem: vernedering in groepsverband. Efficiënt, duurzaam en volledig gedragen door het hele gezelschap.
En ergens, tussen de lachsalvo's, zit Witte Reus. Die voelt zich vooral heel klein.

Het behoud van het evenwicht
In dit gezin leer ik me keurig onderdanig te gedragen. Omdat het systeem daar simpelweg op draait: meebewegen of botsen. En botsen levert hier zelden iets op behalve meer uitleg waarom je beter had moeten meebewegen.
Op school gaat het goed.
Bij M. blijft het slecht gaan.
Alsof het twee parallelle universa zijn die weigeren op elkaar af te stemmen.
En ergens begint zich een vreemd soort logica te vormen: als het op de ene plek goed gaat, moet het op de andere plek wel misgaan.
Evenwicht moet er zijn.

De Gele Trui van de Vlucht
Volgende dag. Zogenaamd op weg naar school in Veendam. Ik besluit naar Groningen te fietsen. Zo'n 40 kilometer. Dat lijkt me wel een gele trui waard. Weg uit Wildervank. Weg van M. Op naar ma.
Niet omdat het daar beter is, maar omdat “ergens anders” op dat moment het dichtst in de buurt komt van ademhalen zonder toestemming.

Het geluid dat genegeerd mag worden
Ma laat me niet binnen. Ze is thuis en ze weet dat ik het ben.
Het vriest. Ik krijg het koud. Misschien schaamt ze zich tegenover de buurt.
Wat wil je ook. Die jongen loopt ook zo te schreeuwen. Ma, ma, ik ben het! Het is uw zoon Frenz! Weet u nog? Alstublieft doe open!
Het helpt niet. Ma doet niet open. Vat ze misschien kou.
Ik slaap in een treinstel op het station.
De volgende nacht slaap ik in een schuur. Heb gelukkig een deken van een waslijn kunnen trekken.
En ergens tussen het rillen en het wakker blijven door begint het door te dringen dat dit niet per ongeluk gebeurt. Het is een keuze. Iemand heeft besloten dat ik buiten minder lastig ben dan binnen.
Laat ma maar klotsen in haar waterbed.
Warm, droog, en zonder last van een kind dat nog steeds denkt dat “mam” roepen een soort sleutel is in plaats van een geluid dat gewoon genegeerd kan worden.

Hopeloos geval
Stichting Jeugd en Gezin zegt dat het aan mij ligt. Ben niet te handhaven. Familie M. is een aardige familie. Ze zijn er zelf een paar keer langs geweest. Zo leuk en gezellig.
Het ligt aan mij. Ik ben een hopeloos geval. Alleen een verleden. Geen toekomst. Rijp voor het vreemdelingenlegioen.
Ik kom in tehuis de Aaborg. Komt op hetzelfde neer.

De klank van ontsnapping
Het nummertjesgevoel komt weer tevoorschijn. Eén van zovelen.
Probeer me eraan te onttrekken door een goed persoonlijk contact met de groepsleiders Jan, Daan en Clemens op te bouwen.
Het lukt. Krijg nou wat. Voel me bijna een individu.
Heel even lijkt het alsof ik niet alleen een nummer ben in een systeem dat altijd verder draait, maar gewoon iemand die er staat.
Clemens houdt net als mij van drummen.
Dat schept in een omgeving als deze ongeveer het equivalent van bloedverwantschap. We hoeven elkaar niets uit te leggen, alleen af te tellen en te slaan.
Vaak geven we gezamenlijk een drumpartij ten beste. Jan speelt gitaar. Daan piano. Zit in de jazz. Kan hij ook niks aan doen. Jazz is een aandoening in plaats van een keuze.
De Aaborgband staat op. Koel man!
Clemens, ik doe de drumsolo.

De Ongeziene Gast
Op school een Hindoestaanse vriendin, Shirley. Nu haar vader weg is is haar broer de baas in huis. Ik mag van hem niet bij haar binnenkomen. Letterlijk en figuurlijk. Ben geen Hindoestaan. Dus besta ik niet. Wil Shirley zien. Niet via de voordeur? Dan maar via het balkon.
Spannend. Samen met Shirley op haar kamer met de deur op slot. Spelletjes in bed. Mens erger je niet, yahtzee, je kent het wel.
Klop klop! Moeder voor de deur. Ze wil zich wassen. De enige wastafel blijkt bij Shirley in de kamer.
Ik duik in een ondiepe klerenkast, wat gepaard gaat met de nodige herrie. Je moet wel stokdoof zijn om dat niet op te merken. Ma is stokdoof. In elkaar gedoken wacht ik af.
Shirley laat haar moeder binnen. Ma heeft niets in de gaten. Een minnaar in de kast. Vóór gebruik wel even uit elkaar vouwen. Ik kijk om me heen om me ervan te vergewissen dat er geen voorwerpen in de kast liggen die onderdeel zouden kunnen vormen van ma's wasritueel, zoals handdoeken, schuursponsjes of een hogedrukreiniger want dan heb ik een probleem. Zeg ik wel dat ik hier al jaren sta en er plots een flat om me heen werd gebouwd.
Gelukkig, ma is weg. Ik ook. Het wordt me toch te link.

De Kwetsbare Getuige
Het contact met Shirley wordt noodgedwongen oppervlakkig. Ze mag niet mee naar de Aaborg en ik niet naar haar huis. Neutraal gebied in de vorm van een galerijtrap van een bejaardentehuis levert weinig mogelijkheden tot intimiteit. Oma houdt ons van achter de geraniums in de gaten.
En oma is kwetsbaar. Als ik Shirley binnen haar vizier dreig te zoenen zou ze bijvoorbeeld maar zo spontaan last van aambeien kunnen krijgen. Dat wil ik niet op mijn geweten hebben. De relatie bloedt dood.
Ik maak het uit. Ook al omdat Shirley stinkend jaloers is. Ik hoef maar naar een ander meisje te lónken.
Ze huilt. Ze houdt nog zoveel van me. Geef haar eens ongelijk.

Liefdesafval
Een paar dagen later krijg ik spijt. Mis het contact. Schrijf een brief voor Shirley. Of ze het weer aan wil maken. Ben er weer klaar voor. U mag weer.
Gooi de brief op haar balkon. De volgende dag ligt hij versnipperd op de grond. Misschien heeft haar moeder de brief gelezen, maak ik mezelf wijs.

Zwaaien naar de Overkant
Voel me voor het eerst echt down. Wil niet meer.
Zit op de reling van de derde verdieping van het bejaardentehuis. Nu maar wachten tot ik mijn balans verlies.
Aan de overkant kijkt oma uit het raam.
Mag zij straks de rommel opruimen. Da's lullig. En dan zit ze misschien ook nog met een kont vol aambeien. Zie dus af van mijn dodensprong.
Zwaai naar oma.

Spoorloos
Surinaamse Robert woont ook op de Aaborg. We vervelen ons en besluiten de spoorbomen met een truukje dicht te gooien. En dan op een afstandje kijken naar de rij auto's die staat te wachten op een trein die niet komt. Humor van de bovenste plank dus. Maar een buurtbewoner belt de politie.
Een agent stapt uit de auto en Robert rent weg langs de spoorrails. Instinctief volg ik. De agent roept halt. Beter een kogel in de lucht dan tien in je rug dus ik overweeg aan zijn verzoek te voldoen. Maar de vrijheid lonkt. We lopen weliswaar harder dan de agent maar zijn maat wacht met de auto bij de volgende overgang zodat we gelijk kunnen instappen.
Een buurtbewoner kan het niet laten op te merken dat het altijd die bruintjes zijn die lopen te klieren. De bruintjes kunnen het niet laten op te merken dat het altijd die buurtbewoners zijn die lopen te zeuren.
Op het bureau krijgen we een waarschuwing en mogen gaan.
Terwijl we naar huis lopen word ik melancholiek en denk aan mijn kindertijd.
Die goeie ouwe tijd.
Toen we nog ongestraft met treintjes mochten spelen.

Het Uur van de Afrekening
Tijdens een disco avond op de Aaborg tikt er iemand op mijn schouder. Ik draai me om en krijg een knal voor mijn kop.
Ik ga languit terwijl een groepsleider de dader een pak slaag geeft. Een oudere jongen die een hekel aan me heeft en dat even fysiek wil uitdrukken.
Iemand vraagt of het met me gaat. Welke dag is het Frenz?
Don't worry guys. Tien voor half zeven.

Het Einde van de Lijn
Op de Aaborg hou ik het niet uit. Sfeer is niet te harden. Word door iedereen genegeerd.
Omdat ik het zo goed met de leiding kan vinden. Ben dus een verrader.
Robert gaat weg uit de Aaborg.
Ik kijk om me heen en kom tot dezelfde conclusie.

Zwaaien naar de Overkant
Voel me voor het eerst echt down. Wil niet meer.
Zit op de reling van de derde verdieping van het bejaardentehuis. Nu maar wachten tot ik mijn balans verlies.
Aan de overkant kijkt oma uit het raam.
Mag zij straks de rommel opruimen. Da's lullig. En dan zit ze misschien ook nog met een kont vol aambeien. Zie dus af van mijn dodensprong.
Zwaai naar oma.

Zwaaien naar de Overkant
Voel me voor het eerst echt down. Wil niet meer.
Zit op de reling van de derde verdieping van het bejaardentehuis. Nu maar wachten tot ik mijn balans verlies.
Aan de overkant kijkt oma uit het raam.
Mag zij straks de rommel opruimen. Da's lullig. En dan zit ze misschien ook nog met een kont vol aambeien. Zie dus af van mijn dodensprong.
Zwaai naar oma.

Zwaaien naar de Overkant
Voel me voor het eerst echt down. Wil niet meer.
Zit op de reling van de derde verdieping van het bejaardentehuis. Nu maar wachten tot ik mijn balans verlies.
Aan de overkant kijkt oma uit het raam.
Mag zij straks de rommel opruimen. Da's lullig. En dan zit ze misschien ook nog met een kont vol aambeien. Zie dus af van mijn dodensprong.
Zwaai naar oma.

Zwaaien naar de Overkant
Voel me voor het eerst echt down. Wil niet meer.
Zit op de reling van de derde verdieping van het bejaardentehuis. Nu maar wachten tot ik mijn balans verlies.
Aan de overkant kijkt oma uit het raam.
Mag zij straks de rommel opruimen. Da's lullig. En dan zit ze misschien ook nog met een kont vol aambeien. Zie dus af van mijn dodensprong.
Zwaai naar oma.

Zwaaien naar de Overkant
Voel me voor het eerst echt down. Wil niet meer.
Zit op de reling van de derde verdieping van het bejaardentehuis. Nu maar wachten tot ik mijn balans verlies.
Aan de overkant kijkt oma uit het raam.
Mag zij straks de rommel opruimen. Da's lullig. En dan zit ze misschien ook nog met een kont vol aambeien. Zie dus af van mijn dodensprong.
Zwaai naar oma.

Zwaaien naar de Overkant
Voel me voor het eerst echt down. Wil niet meer.
Zit op de reling van de derde verdieping van het bejaardentehuis. Nu maar wachten tot ik mijn balans verlies.
Aan de overkant kijkt oma uit het raam.
Mag zij straks de rommel opruimen. Da's lullig. En dan zit ze misschien ook nog met een kont vol aambeien. Zie dus af van mijn dodensprong.
Zwaai naar oma.

Zwaaien naar de Overkant
Voel me voor het eerst echt down. Wil niet meer.
Zit op de reling van de derde verdieping van het bejaardentehuis. Nu maar wachten tot ik mijn balans verlies.
Aan de overkant kijkt oma uit het raam.
Mag zij straks de rommel opruimen. Da's lullig. En dan zit ze misschien ook nog met een kont vol aambeien. Zie dus af van mijn dodensprong.
Zwaai naar oma.

Zwaaien naar de Overkant
Voel me voor het eerst echt down. Wil niet meer.
Zit op de reling van de derde verdieping van het bejaardentehuis. Nu maar wachten tot ik mijn balans verlies.
Aan de overkant kijkt oma uit het raam.
Mag zij straks de rommel opruimen. Da's lullig. En dan zit ze misschien ook nog met een kont vol aambeien. Zie dus af van mijn dodensprong.
Zwaai naar oma.

Ea nam legere mentitum prodesset
Cetero oporteat sensibus his eu. Has ex vidisse perpetua, vis partem mollis mandamus at. Ea nam legere mentitum prodesset, no quo lucilius liberavisse, te oratio debitis omittantur eos. Sea ea iusto detracto, ut scripta sapientem suavitate cum, nam deleniti perpetua intellegam an. Ei per officiis detraxit probatus, vim at graecis tincidunt.

Zwaaien naar de Overkant
Voel me voor het eerst echt down. Wil niet meer.
Zit op de reling van de derde verdieping van het bejaardentehuis. Nu maar wachten tot ik mijn balans verlies.
Aan de overkant kijkt oma uit het raam.
Mag zij straks de rommel opruimen. Da's lullig. En dan zit ze misschien ook nog met een kont vol aambeien. Zie dus af van mijn dodensprong.
Zwaai naar oma.